`t Is stil
de Zaan is als een ader ~ schepen gaan voorbij ~ naar kusten ~ heind` en ver
de onrust komt al nader ~ zindert door mijn lijf ~ als ik schepen varen zie
is `t of ik achter blijf
de onrust drijft mijn denken ~ naar het oneindige verschiet ~
dat nog thans blijft wenken ~ door de indruk die ze achter liet
waar land en hemel vloeien ~ waar de zee het land ontvlucht ~
verdwijnen de boeien ~ blijft alleen de lucht
O ~ kon ik nog eenmaal landen ~ op die ongerepte stranden ~
waar de zon verbleekt aan de nacht ~
waar de sterren slechts zijn ~ een kinder-verdriet
waar wind alleen wind is ~ anders niet
maar denk ik aan vreemde kusten ~ verrek ~ verbrandt ~ verroest ~ verteer
en het zweet dat van mij gutste ~ dan gunde ik jou de eer
thuis is het leven goed ~ waarom zou je gaan zwerven
de onrust in mijn bloed ~ zou het thuis zijn maar bederven
al is de eigen haard ~ het meest van alles waard ~ ik moest gaan varen
om de onrust te bedaren